
Traineeship bij PAS bv: Bjorn over zijn eerste stappen in planeconomie
7 mei 2025
PROVADA programma PAS bv en VNG-jaarcongress
12 juni 2025Klimaatverandering en als gevolg daarvan de toegenomen frequentie van zowel extreme neerslag als droogteperioden zorgen voor een groeiende aandacht voor overstromingsrisico’s binnen gebiedsontwikkeling. Steeds meer overheden formuleren inmiddels concrete doelstellingen rondom het verlagen van overstromingsrisico’s als onderdeel van hun klimaatadaptatiebeleid. Toch blijkt de vertaalslag naar concrete maatregelen in ruimtelijke en economische planvorming vaak beperkt. Dit artikel gaat in op de aard van overstromingsrisico’s, de implicaties voor woningbouw en gebiedsontwikkeling en de ervaringen van PAS-adviseurs met dit belangrijke thema vanuit de praktijk.
Wat verstaan we onder overstromingsrisico’s?
Nederland, dat voor een groot deel onder de zeespiegel ligt, is van nature extra kwetsbaar voor overstromingen. Dankzij eeuwenlange inspanningen en investeringen in waterveiligheid is het overstromingsrisico aanzienlijk teruggedrongen en geldt Nederland internationaal als de best beschermde delta. Toch zorgt klimaatverandering voor nieuwe uitdagingen. Er wordt niet alleen meer en intensievere neerslag verwacht, maar ook een toenemende piekafvoer van rivieren. Deze ontwikkelingen vergroten de kans op overstromingen en daarmee de risico’s die hier onlosmakelijk aan verbonden zijn.
Het risico op een overstroming wordt meestal bepaald op basis van de kans dat deze plaatsvindt en de ernst van de gevolgen die zo’n gebeurtenis met zich meebrengt. Binnen gebiedsontwikkeling wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen externe overstromingsrisico’s (zoals dijkdoorbraken of rivieroverstromingen) en interne risico’s (zoals wateroverlast door hevige regenval binnen het plangebied zelf).
De externe component betreft risico’s die hun oorsprong vinden buiten het plangebied, zoals hoge rivierstanden, afstromend water uit hoger gelegen gebieden, of het falen van primaire waterkeringen en regionale dijken. Deze risico’s vallen grotendeels onder de verantwoordelijkheid van het Rijk en de Waterschappen en bevinden zich daarmee buiten de directe invloedssfeer van gemeenten en gebiedsontwikkelaars.
De interne component verwijst naar risico’s die binnen het plangebied zelf ontstaan. Dit kan het geval zijn als gevolg van extreme regenval, onvoldoende afwatering, aandeel en type verharding, forse bodemdaling of grote verschillen in maaiveldhoogte. Omdat deze factoren samenhangen met de ruimtelijke inrichting, bieden ze juist wél aanknopingspunten voor keuze binnen gebiedsontwikkeling en lokaal beleid.
Wat zijn de schadelijke effecten van wateroverlast op de gebouwde omgeving?
De impact van wateroverlast op de gebouwde omgeving kan aanzienlijk zijn. Overstromingen en extreme neerslag brengen zowel technische als sociale risico’s met zich mee, die de bruikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid van gebouwen en gebieden aantasten.
De technische impact verwijst naar directe fysieke schade aan gebouwen en infrastructuur, zoals lekkages, schade aan funderingen, storingen in nutsvoorzieningen en verminderde bereikbaarheid van wegen. De sociale impact heeft betrekking op bredere gevolgen voor bewoners en gebruikers, zoals gezondheidsproblemen, verminderde leefkwaliteit en economische schade. Beide typen impact onderstrepen de kwetsbaarheid van de gebouwde omgeving voor klimaat gerelateerde gebeurtenissen (GlobalABC & OID, 2021).
Technische impact
Toenemende wateroverlast leidt tot een reeks technische problemen, die sterk gebiedsspecifiek kunnen zijn:
- Hevige neerslag in korte tijd, met name in de zomer, veroorzaakt acute overbelasting van het rioolstelsel. In laaggelegen stedelijke gebieden kunnen straten, tunnels en kruisingen onderlopen. Dit belemmert niet alleen de bereikbaarheid, maar kan er ook toe leiden dat water gebouwen binnendringt, met waterschade en elektrische storingen tot gevolg (Deltares, 2018; Kennisportaal Klimaatadaptatie, z.d.).
- Langdurige neerslag, vooral in de winter, zorgt bij onvoldoende afwatering voor aanhoudende vochtbelasting op gebouwen. Dit leidt vaak tot schimmelvorming, vooral in oudere woningen (voor 1992 gebouwd) waar isolatie en ventilatie beperkt zijn (RIVM, 2012).
- Grondwateroverlast ontstaat wanneer langdurige of heraalde regenval het grondwaterpeil verhoogt. Dit kan leiden tot natte kelders en kruipruimtes, optrekkend vocht in muren en verzadigde tuinen. Ook kan het funderingen aantasten, wat op termijn structurele schade veroorzaakt (Kennisportaal Klimaatadaptatie, 2018).
Sociale impact
De sociale gevolgen van wateroverlast manifesteren zich op meerdere niveaus:
- Gezondheid en welzijn: vochtproblemen en schimmelvorming door langdurige wateroverlast als gevolg van onvoldoende afwatering kunnen leiden tot een verminderde luchtkwaliteit in gebouwen. Dit vergroot het risico op allergieën, ademhalingsproblemen en andere gezondheidsklachten (Informatiepunt Leefomgeving, 2024).
- Leefbaarheid en comfort: overlast en schade in de woonomgeving kunnen stress, angst en een gevoel van onveiligheid veroorzaken. In extreme gevallen kunnen mensen tijdelijk, of zelfs definitief, hun woning moeten verlaten (zoals in juli 2024 in Enschede).
- Economische impact: herstelkosten, waardeverlies van vastgoed, en verstoring van economische activiteiten zijn bijkomende gevolgen die bewoners, bedrijven en overheden kunnen raken.
Schadelijke effecten beperken: Wat zegt het beleid?
Om Nederland te beschermen tegen de schadelijke effecten van overstromingen, is het essentieel om diverse maatregelen te treffen binnen de gebouwde omgeving. Deze maatregelen zijn erop gericht de impact van een mogelijke overstroming op mens, economie en infrastructuur zoveel mogelijk te beperken. In beleidsdocumenten van het Rijk, provincies en gemeenten krijgt klimaatadaptatie dan ook steeds meer aandacht. Wateroverlast en overstromingsrisico’s worden daarin expliciet benoemd als urgente thema’s binnen de ruimtelijke opgaven.
Een belangrijk beleidsmatig kader in dit verband is het concept van meerlaagsveiligheid, dat sinds 2009 is opgenomen in het Nationaal Waterplan. Deze integrale benadering van waterveiligheid bestaat uit drie lagen: (1) preventie, oftewel het voorkomen van overstromingen door bijvoorbeeld sterke dijken; (2) duurzame ruimtelijke inrichting, gericht op het beperken van de gevolgen wanneer een overstroming zich voordoet; en (3) rampenbeheersing, waarbij de nadruk ligt op crisisvoorbereiding en evacuatie.
Binnen gebiedsontwikkeling is met name de tweede laag van belang: gevolgbeperking door ruimtelijke inrichting. Dit houdt in dat het ontwerp en gebruik van de ruimte zodanig worden ingericht dat schade bij een overstroming zoveel mogelijk wordt voorkomen of beperkt. Concreet gaat het om maatregelen zoals waterrobuust bouwen, het aanleggen van groene infrastructuur (zoals wadi’s of groene daken), en het toepassen van zonering, waarbij kwetsbare functies bewust worden uitgesloten van risicogebieden.
Onderstaande tabel biedt een selectie van ruimtelijke maatregelen die passen binnen deze tweede laag van meerlaagsveiligheid. Per maatregel wordt kort toegelicht wat het doel is en hoe deze in de praktijk toegepast kan worden binnen gebiedsontwikkeling.
| Maatregel | Uitleg | Voorbeeld | Doel |
| Waterrobuust bouwen | Woningen/infrastructuur bouwen die bestand zijn tegen water | Woningen met verhoogde entrees of installaties boven het maaiveld | Bescherming tegen overstromingen |
| Groene infrastructuur | Aanleg van groene gebieden die water kunnen absorberen en vasthouden | Groene daken, parken en regenwateropvangsystemen | Verminderen van wateroverlast en verbeteren van biodiversiteit |
| Zonering | Ruimtelijk indeling op basis van risico’s | Parkeerplaatsen in overstroombare gebieden | Minimaliseren van schade door overstromingen |
| Retentiegebieden | Gebieden die tijdelijk water kunnen vasthouden | Retentievijvers, wadi’s | Voorkomen van wateroverlast in stedelijke gebieden |
Tabel 1: Ruimtelijke maatregelen
Praktijkervaring PAS-adviseurs: De planeconomische stilte rondom overstromingsrisico
In de praktijk signaleren PAS-adviseurs dat ruimtelijke inrichting beperkt inspeelt op de interne component van het overstromingsrisico. Gemeenten ontwikkelen bouwprojecten in waterstaatkundig kwetsbare gebieden, zoals diepe polders of locaties direct achter hoge dijken, en leunen daarbij voornamelijk op technische maatregelen, zoals dijkverhoging of het wegpompen van water. Deze oplossingen zijn vooral gericht op het beperken van externe risico’s, maar dragen nauwelijks bij aan de structurele weerbaarheid van het gebied zelf. Het oplopende verschil tussen maaiveld en waterpeil versterkt juist de kwetsbaarheid op de lange termijn. Bij een eventuele dijkdoorbraak zijn de gevolgen daardoor potentieel zeer ernstig.
Hoewel bij planvorming instrumenten als de watertoets worden ingezet om waterveiligheid te waarborgen, ontbreekt het nog vaak aan een integrale benadering. De watertoets was verankerd in het Besluit Ruimtelijke Ordening, maar kent onder de Omgevingswet geen vanzelfsprekende voortzetting. Aanvullende instrumenten zoals stresstests, klimaatscenario’s of impactanalyses worden zelden gebruikt, terwijl juist deze middelen kunnen helpen bij het inschatten van toekomstige risico’s en het onderbouwen van keuzes in gebiedsontwikkeling.
Volgens PAS-adviseurs blijft de huidige benadering voornamelijk reactief. Er wordt vooral gekeken naar acute weersomstandigheden, zoals extreme neerslag, terwijl langetermijnontwikkelingen, denk aan bodemdaling en zeespiegelstijging richting 2100, nauwelijks worden meegenomen. Oplossingen zoals ophoging worden doorgaans uitgevoerd op basis van huidige normen, zonder toetsing op toekomstbestendigheid of robuustheid. Daardoor blijft het denken over risico’s voornamelijk technisch en operationeel en wordt dit onvoldoende strategisch geïntegreerd in ruimtelijke en economische besluitvorming.
Hoewel het nationale waterveiligheidsbeleid inzet op preventie via hoge normen voor waterkeringen, ontbreekt vaak een visie op een robuuste inrichting van het achterland. De veronderstelling dat dijkdoorbraken vrijwel zijn uitgesloten (kans 1 op 10.000 jaar) leidt ertoe dat PAS-adviseurs zien dat bij planvorming weinig rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat het toch misgaat. Hierdoor wordt het risico niet daadwerkelijk verkleind, maar verschoven en nemen de potentiële maatschappelijke en economische gevolgen bij een incident juist toe.
Het economische zwijgen rond overstromingsrisico
Een belangrijk signaal van PAS-adviseurs is dat overstromingsrisico nauwelijks een rol speelt in de planeconomische onderbouwing van gebiedsontwikkeling. Er wordt niet gewerkt met een standaardmethodiek om risico’s en bijbehorende maatregelen financieel door te vertalen binnen grondexploitaties. Het onderwerp heeft geen formele plek in risicodossiers en wordt zelden meegenomen in kostenbatenanalyses. Hierdoor blijven de toekomstige kosten van het uitblijven van maatregelen buiten beschouwing bij investeringsbeslissingen binnen de grondexploitatie. Daardoor ontbreekt een economische prikkel om preventief te sturen op waterveiligheid.
Zolang het risico niet wordt ‘ingeprijsd’, blijft het een abstract gevaar dat makkelijk over het hoofd wordt gezien. Juist deze onzichtbaarheid maakt het extra gevaarlijk: als het zich eenmaal manifesteert, is het vaak te laat voor eenvoudige of betaalbare oplossingen. De uitdaging binnen gebiedsontwikkeling ligt niet uitsluitend in technologische innovaties, maar vooral in het duurzaam verankeren van risicobewustzijn gedurende het gehele ontwikkelproces, van de visievorming tot en met de exploitatie. Aangezien ruimtelijke ontwikkelingen vaak een lange tijdshorizon kennen, kunnen bepaalde risico’s zich pas manifesteren ná afronding van het project. Juist daarom is het van strategisch belang om in een vroeg stadium relevante afdelingen, zoals Beheer en Onderhoud, actief te betrekken. Door vanaf het begin integraal rekening te houden met risico’s en beheersmaatregelen, kunnen risico’s structureel worden gemitigeerd over de volledige levenscyclus van het gebied.
Ervaring PAS-adviseurs: oorzaken kloof
Hoewel het belang van overstromingsrisico’s voor gebiedsontwikkeling op beleidsniveau breed wordt erkend, blijkt uit de praktijk dat deze risico’s vaak beperkt worden meegenomen in de planvorming en besluitvorming. PAS-adviseurs signaleren een duidelijke kloof tussen beleidsmatige ambities en de uitvoeringsrealiteit. Diverse factoren dragen bij aan dit verschil:
- Vertrouwen in de Nederlandse waterkeringen
Nederland heeft internationaal een sterke reputatie op het gebied van waterbeheer en waterveiligheid. Er heerst een groot vertrouwen in onze dijken, duinen en dammen. Dit vertrouwen, gecombineerd met het feit dat de laatste grote overstroming in 1953 plaatsvond, kan leiden tot een gevoel van schijnveiligheid en onderschatting van het risico. - Complexiteit van risicoanalyse
Het bepalen van overstromingsrisico’s is complex en vraagt specifieke expertise. Bij grondexploitaties zijn veel verschillende partijen betrokken – ontwikkelaars, gemeenten, adviseurs – die niet altijd beschikken over deze specifieke kennis. Bovendien is er vaak sprake van modelonzekerheid: verschillende modellen kunnen tot verschillende uitkomsten leiden wat betreft overstromingskansen en -gevolgen. - Kortetermijndenken versus langetermijnrisico’s
Grondexploitaties werken meestal met een tijdshorizon van 10-15 jaar, terwijl overstromingsrisico’s vaak worden uitgedrukt in kansen per 100 of zelfs 1000 jaar. Dit verschil in tijdsperspectief maakt het lastig om langetermijnrisico’s goed te integreren in kortetermijnbeslissingen over (de verwerking in) grondexploitaties. - Economische druk en woningbouwopgave
Nederland staat voor een enorme woningbouwopgave. Er moeten tot 2030 jaarlijks minimaal 100.000 woningen bijkomen. Deze druk zorgt ervoor dat risico’s, waaronder overstromingsrisico’s, soms ondergeschikt raken aan de noodzaak om woningen te realiseren. Zeker in een situatie waarin bouwlocaties schaars zijn, kan er druk ontstaan om ook in minder gunstige gebieden te bouwen of om bepaalde maatregelen niet door te voeren. - Versnippering verantwoordelijkheidsverdeling
De verantwoordelijkheid voor waterveiligheid is in Nederland verdeeld over verschillende overheden: Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten. Deze versnippering kan leiden tot onduidelijkheid over wie verantwoordelijk is voor het meewegen van overstromingsrisico’s in ruimtelijke beslissingen en vooral ook waar de rekening voor eventuele investeringen moet komen te liggen.
Ervaring PAS-adviseurs: Wat zou het kunnen opleveren als we de kloof overbruggen?
In het huidige ruimtelijke beleid ligt de nadruk sterk op bescherming tegen extreme watergerelateerde risico’s, zoals zeespiegelstijging. Dankzij de uitgebreide deltabescherming voelt Nederland zich veilig achter zijn dijken en waterkeringen. Deze focus op externe risico’s zorgt er echter voor dat interne risico’s, zoals wateroverlast of overstromingen vanuit het achterland, structureel minder aandacht krijgen. De recente situaties in Limburg en Enschede, waar woningen door waterproblemen onbewoonbaar zijn verklaard, laat zien dat deze risico’s geen toekomstscenario vormen, maar een actuele realiteit zijn.
Om adequaat te reageren op deze ontwikkelingen is aanpassing van de gebouwde omgeving noodzakelijk. Deze aanpassing begint niet bij de uitvoering, maar in de vroege fasen van gebiedsontwikkeling, met name in de grondexploitatie. Juist daar worden keuzes gemaakt die de fysieke inrichting, risico’s en economische haalbaarheid voor decennia vastleggen.
De relatie tussen overstromingsrisico’s en grondexploitaties wordt in de Nederlandse praktijk nog onvoldoende geadresseerd. Hoewel het belang van risicobewust ontwikkelen breed wordt erkend, ontbreekt het vaak aan concrete doorvertaling naar financiële onderbouwing en besluitvorming. Door risico’s en toe te passen maatregelen systematisch onderdeel te maken van de economische analyse binnen grondexploitaties, worden toekomstige schade, waardeverlies en herstelkosten voorkomen.
Gevolgen voor kosten en baten in ontwikkelfase en beheerfase
Klimaatadaptieve maatregelen worden steeds belangrijker binnen gebiedsontwikkeling, maar brengen ook financiële consequenties met zich mee. De residuele grondwaarde wordt gedrukt, doordat bouwkundige oplossingen zoals groene daken, waterbergende funderingen en een verhoogd vloerpeil zorgen voor hogere bouwkosten. Tegelijk zien we dat dit niet direct tot hogere verkoopopbrengsten leidt. En hoe duurder de woning is om te bouwen, des te lager de prijs die ontwikkelaars bereid zijn te betalen voor de grond.
De inrichting van het openbaar gebied is een ander belangrijk aandachtspunt. Meer ruimte voor groen, water en klimaatadaptieve elementen zoals wadi’s, open verharding en natuurvriendelijke oevers draagt bij aan een leefbare en toekomstbestendige omgeving, maar dit gaat vaak ten koste van de hoeveelheid uitgeefbare grond, wat leidt tot lagere opbrengsten in de grondexploitatie. Bovendien zijn deze maatregelen vaak duurder in aanleg en onderhoud dan traditionele verharding en vergen ze meer ruimte, wat de bebouwingsdichtheid beperkt.
Ook civieltechnische maatregelen spelen een rol. Het creëren van meer ruimte voor water in stedelijke gebieden vereist vaak de aanleg van extra kunstwerken zoals bruggen, duikers en watergangen. Daarnaast worden infiltratievoorzieningen zoals infiltratiekratten steeds vaker toegepast. Deze systemen bufferen regenwater tijdelijk en laten het vertraagd infiltreren in de bodem, wat piekbelasting op het riool vermindert en verdroging tegengaat. Deze investeringen leiden weliswaar tot hogere kosten in de grondexploitatie, maar dragen ze wel bij aan de klimaatbestendigheid van de wijk en levert het daarmee in de beheerfase een besparing op. In sommige gevallen zijn er subsidies beschikbaar die de initiële kosten deels kunnen compenseren.
Daarmee zien we dat zowel de opbrengsten binnen de grondexploitatie dalen, en gelijktijdig dat de kosten stijgen. Dit kan de financiële haalbaarheid van projecten onder druk zetten, zeker in gebieden waar de marges al onder druk staan of projecten al verlieslatend zijn.
Tegelijkertijd kunnen deze investeringen op de lange termijn juist baten opleveren. Denk aan minder schade bij extreme neerslag, een aantrekkelijker woonklimaat en mogelijk zelfs lagere verzekeringsclaims. In maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA’s) wordt daarom steeds vaker gekeken naar de balans tussen initiële meerkosten en vermeden schade of maatschappelijke winst op de lange termijn. Immers, een aantrekkelijk ingericht openbaar gebied verhoogt de leefkwaliteit, vermindert hittestress en bevordert biodiversiteit. Dit kan op termijn leiden tot hogere vastgoedwaarden en lagere kosten voor waterbeheer en gezondheidszorg. Daarnaast wordt verkend of klimaatadaptieve maatregelen kunnen bijdragen aan lagere woonlasten, bijvoorbeeld via potentieel lagere verzekeringspremies. Hoewel dit nog geen gangbare praktijk is, onderzoeken verzekeraars steeds vaker hoe risicobeperkende maatregelen kunnen worden meegenomen in hun premiebeleid. Ook deze baten kunnen in sommige gevallen worden meegenomen in een MKBA of ondersteund worden via subsidies of cofinanciering vanuit klimaatprogramma’s.
Toch klinken er geluiden over klimaatadaptief bouwen
Naast traditionele klimaatadaptieve maatregelen zijn er ook vernieuwende woonvormen die inspelen op waterveiligheid en ruimtegebrek. Onderstaand is een aantal praktijkvoorbeelden opgenomen van gebiedsontwikkelingen waarbij klimaatadaptieve maatregelen zijn toegepast.
Drijvend bouwen in Klein Rijnenburg, Utrecht
In Klein Rijnenburg wordt geëxperimenteerd met drijvende woningen als antwoord op de beperkte ruimte en de noodzaak tot klimaatadaptatie. Het gebied is van nature waterrijk, waardoor er geen grondophoging nodig is en geen extra grond verworven hoeft te worden voor waterberging. De kosten voor drijvend bouwen liggen weliswaar hoger dan bij traditionele woningbouw, maar doordat de waterstructuur al aanwezig is, vallen andere kosten juist lager uit. De residuele grondwaarde is lager dan bij reguliere bouw, maar lijkt voldoende om de extra investeringen te compenseren. Drijvend bouwen op grote schaal is vanwege de hoge kosten nog niet breed toepasbaar, maar op kleine schaal, met name in het hogere segment, kan het wel degelijk bijdragen aan het verlichten van de druk op de woningmarkt.
Nassauhaven, Rotterdam: duurzame drijvende wijk
Een ander voorbeeld is de drijvende wijk in de Nassauhaven in Rotterdam. Hier zijn duurzame, drijvende woningen gerealiseerd die meebewegen met het waterpeil. De woningen zijn volledig zelfvoorzienend op het gebied van energie en waterbeheer en vormen een showcase voor circulair en klimaatbestendig bouwen. Dit project laat zien dat drijvend wonen niet alleen een technische oplossing is, maar ook een kans biedt voor innovatieve, duurzame stedelijke ontwikkeling.
Landgoed Driessen, Waalwijk: robuust watersysteem op wijkniveau
Een ander inspirerend voorbeeld is Landgoed Driessen in Waalwijk, waar een robuust watersysteem is geïntegreerd in de ontwikkeling van een wijk met circa 2.000 woningen. Hier geldt een bergingseis van 60 cm op eigen terrein en is geen centrale hemelwaterafvoer aanwezig. De woongebieden zijn opgehoogd, terwijl groenzones lager liggen, waardoor water zich op natuurlijke wijze verplaatst. Daarnaast zijn er wadi’s voor retentie, infiltratievoorzieningen op eigen terrein en wordt het bestaande waternetwerk (Lage Water) doorgetrokken. Ook wordt geëxperimenteerd met groene parkeerplaatsen en het hergebruik van regenwater voor huishoudelijke toepassingen. Dit project toont aan dat grootschalige klimaatadaptatie mogelijk is, mits dit vanaf het begin wordt meegenomen in het ontwerp- en ontwikkelproces.
Naar een toekomstgerichte prakrijk
Een meer klimaatbestendige benadering vraagt om een fundamenteel andere manier van kijken naar risico’s binnen gebiedsontwikkeling. Daarbij ligt de opgave in het verbinden van het langetermijnperspectief van klimaatverandering met de kortetermijnhorizon van grondexploitaties. Dit vraagt om het benutten van koppelkansen, waarin waterveiligheid wordt geïntegreerd met andere maatschappelijke opgaven en om het expliciet toepassen van kosten-batenanalyses waarin toekomstige risico’s en hun financiële impact worden meegenomen.
Beschikbare instrumenten zoals stresstests, impactanalyses en klimaatscenario’s bieden concrete handvatten om kwetsbaarheden in beeld te brengen en ruimtelijke keuzes beter te onderbouwen. Het structureel inzetten van deze instrumenten vormt een logische eerste stap richting een meer risicobewuste en toekomstgerichte praktijk. Door deze tools te integreren in het bestaande proces van planvorming en exploitatie, kunnen overstromingsrisico’s worden benaderd als volwaardig onderdeel van de planmatige en economische afweging, in plaats van als technische randvoorwaarde die pas laat in het traject aandacht krijgt. Hiermee ontstaat ruimte voor onderbouwde keuzes die bijdragen aan een veerkrachtiger en klimaatbestendig ruimtegebruik.
Het overbruggen van de kloof tussen beleidsambitie en uitvoeringspraktijk biedt daarmee niet alleen kansen voor meer fysieke veiligheid, maar versterkt ook de economische duurzaamheid en maatschappelijke legitimiteit van gebiedsontwikkeling. In een land dat voor een groot deel onder zeeniveau ligt, is toekomstgericht ruimtegebruik onlosmakelijk verbonden met waterbewust beleid. Door nu verstandige keuzes te maken in de grondexploitatie, wordt voorkomen dat later tegen hoge maatschappelijke en financiële kosten moet worden bijgestuurd.
Overstromingsrisico’s meenemen in jouw grondexploitatie? PAS bv ondersteunt u vanaf de basis
Vraagt u zich af of overstromingsrisico’s relevant zijn voor uw gebiedsontwikkeling? Of wilt u weten wat dergelijke risico’s kunnen betekenen voor de keuzes in uw planvorming of grondexploitatie? Bij PAS bv verkennen we hoe actuele maatschappelijke thema’s, zoals waterveiligheid en ruimtelijke kwetsbaarheid, een rol kunnen spelen bij financiële afwegingen. Wij denken graag met u mee over de financiële onderbouwing van uw project, met oog voor haalbaarheid, risico’s en voor de lange termijn. Meer weten? Bekijk onze visie op risicomanagement in gebiedsontwikkeling.
Staat u aan de vooravond van een nieuw project? En kunt u daarbij de hulp gebruiken van een ervaren planeconoom? Schakel Planeconomie Adviesbureau PAS bv in! Wij zijn gespecialiseerd in planeconomie, gebiedsontwikkeling, grondbeleid en omgevingsrecht. Velen gingen u al voor. U kunt een e-mail sturen naar info@pasbv.nl. Liever direct contact? Bel 0598 61 23 80 voor ons kantoor in Groningen of 030 63 53 400 voor onze locatie in Houten.

Geschreven door adviseurs Susan Lahpor, Pim Terstappen, Twan Nijkamp, Nick Klappe, Tim Hafkamp en Jesper Zuiddam



